fragmenten van de visioenen van wit
(uit S./Bearer of STATE, roman in wording, geschreven in het Amerikaans, vertaling met dank aan Liorah Hoek)
1.
schelp (moule = mossel en mal)
---
De
ruimte is wit, heel erg wit.
Licht
stroomt naar binnen van alle kanten, de muren slechts aangeduid door dunne
contouren. Er zijn geen schaduwen. Er zijn geen mensen te zien.
S.
is omsloten door muren. Door alle openingen ziet ze andere muren, vlak
erachter. Een labyrint.
Ze
staat op en kijkt rond.
De
lucht is bedompt, de muren komen op haar af. Ze wil hier uit.
Als de openingen verdwijnen, weet ze wat ze moet
doen.
Ze
begint te rennen, dwars door de muren.
De
muren breken door de inslag van haar lichaam. Ze zijn dun als papier, bedekt
met een laagje gips. Terwijl ze nog harder rent, versplinteren de muren om haar
heen. Het doet geen pijn, het breken geeft een gevoel van euforie. Steeds
opnieuw breekt haar lichaam door het dunne gips, een spoor van brokstukken
achterlatend.
Maar
achter de muren staan nieuwe muren, steeds weer nieuwe muren.
En
langzaam wordt het rennen zwaarder en zwaarder.
In
het midden van een grote kamer stopt ze, hijgend.
Het
is moeilijk om te ademen of te bewegen.
Waarom?
Ze
kijkt naar beneden. Haar hele lichaam is bedekt met gips. Resten van de muren
hebben haar laag voor laag bedekt, compleet bedekt.
Er
is geen huid meer, alleen wit. En terwijl ze stil staat verharden de lagen.
Ze
kan zich niet meer bewegen.
Haar
gezicht is star, alleen haar ogen kunnen nog knipperen. Haar borstkas zet uit
en krimpt in, maar de beperkte ruimte laat alleen oppervlakkig ademhalen toe.
Ze zit ingekapseld in een harde huls, een schelp die haar doet krimpen tot ze
op haar plek past.
Een
mal,
gevormd
door
en
vorm gevend
aan
haar lijf, die weke zak vlees.
---
2.
infectie / infiltratie
---
S.
bevindt zich in de gipsen schelp. Haar lichaam geeft zich eraan over, de
benauwde omsluiting is bijna behaaglijk.
Ze
is niet bang. Ze weet dat ze zich geen angst kan veroorloven. Beheerst wacht ze
af en begint deze toestand te waarderen.
Ze
dijt uit, de witte ruimte wordt een weerspiegeling van haar grenzeloze zelf.
Ze
lost op.
Hoewel
haar lichaam ingesloten blijft door de witte mal, dringt haar geest door in de
uitgestrektheid waarin ze zich bevindt.
Waar
heeft ze haar lichaam gelaten? Haar geest neemt de ruimte in zijn geheel in, er
is geen plek meer om zich om te draaien en te kijken. Ze heeft een nieuw
lichaam nu, een ruimtelijk lichaam, met ergens, verstopt, haar oude huls,
afgedankt.
<![if supportEmptyParas]> <![endif]>
Maar
ze is hier niet alleen.
Een
meervoudige aanwezigheid observeert gretig alles in het wit.
Ze
staren naar haar.
Haar
aanwezigheid wordt herleidt tot tekens,
die
zich openen tot geluiden,
die
een stroom van beelden oproepen.
En
zij is ÈÈn van die beelden.
Ze
hebben haar nodig, ze kunnen hun ogen niet van haar afhouden.
Wat
willen ze van haar?
De
ogen nestelen zich tegen haar aan.
Ze
willen haar.
Ze
willen binnenin haar zijn.
Ze
willen allemaal
ÈÈn
worden met haar,
haar
zijn.
Het
is ondragelijk. Zij wil ze eruit zetten, maar moet in hun ogen kijken, ÈÈn voor
ÈÈn. Ze wordt overspoeld door hun beelden, die zich om haar heen plooien, haar
infecteren, haar afleiden, van...
van...
Wat
was ze hier ook al weer aan het doen?
Dan
herinnert ze zich vaag dat er iets anders is in deze ruimte.
Iets
waardevols. Iets dat ze bijna vergat.
Ze
moet van de ogen af zien te komen, maar ze weigeren te gaan. Zij is hun manier
van bestaan, hun middel tot overleven.
Ze
vecht, maar ze laten zich niet verdringen. Ze kleven aan haar, wanhopig. Ze
claimen haar bestaansruimte / ruimte om te bestaan. Ze dreigen haar compleet te
vullen. Ze zijn met zoveel....
Dus
krimpt
ze.
Ze
dwingt zichzelf om een kartonnen doos te worden,
een
baksteen,
een
glazen kraal,
een
zandkorrel,
een
siliconenmolecuul.
Veel
van wat zij als essentieel zag, moet ze achterlaten.
Het
doet pijn. Het doet veel pijn.
Een
snerpend geluid.
Het irritante gesnerp wringt zich in haar bewustzijn, penetreert
het continu¸m van de pijn.
Ze zoekt naar waar het geluid vandaan komt.
Ze
vindt het.
Haar
lichaam, krijsend. Het is nog steeds omsloten door het gips. Nu ziet het er
veel te groot uit voor haar.
Wat
wil ze ermee?
Ze
twijfelt.
Ze is er bijna in geslaagd om zichzelf te
laten verdwijnen. Waarom zou ze terugkeren naar die onhandige massa, gevangen
in bewegingsloosheid? Waarom zou ze weer de pijn van insluiting ondergaan?
Waarom zou ze riskeren dat de ogen terugkeren om ruimte te claimen in deze
harde huls vol vlees?
Vergeleken
met de glinsterende eenvoud van het siliconenmolecuul, is deze samenklontering
van diverse cellen zo grof en ouderwets, dat S. zich afvraagt hoe er ooit
iemand in heeft kunnen leven.
Dus
draait ze zich om,
naar
het
wit.
<![if supportEmptyParas]> <![endif]>
Ze
staat op het punt zichzelf te verliezen, wanneer een subtiel verlangen in haar
opkomt. Ze kan niet oplossen zonder
ÈÈn
laatste
gedachte.
åThuis¼
denkt ze,
het
laatste woord voordat ze al haar weefsels in silicone verandert.
Daarom
moet ze terugkeren naar de huls. Het is haar thuis!
Voordat
iets haar in de weg kan zitten, nestelt ze zich in het door gips omsloten
lichaam. Het is totaal niet te groot. Het zit te strak.
Er
is geen ruimte voor de ogen, er is geen ruimte voor wat dan ook. Er is in haar
bewustzijn alleen ruimte voor de pijn van haar gevangenschap. De pijn van
isolement.
De
nauwheid perst opnieuw alle lucht uit haar.
Maar...
wacht!
Dat
kan veranderen! denkt ze.
Ze
kijkt neer op het gips, van binnen uit. Ze zet zich af. Ze zet zich ertoe, uit
te dijen. Het doet pijn, alweer, maar minder pijn dan eerst. Ze leunt tegen de
pijn, duwt harder, dwingt haar longen om lucht binnen te laten.
Dan,
van binnen uit, begint het gips subtiel van kleur te veranderen. Het harde
witte oppervlak wordt vochtig. Details van de huid beginnen te verschijnen:
kuiltjes, haarputjes, rimpels, blauwige aders, plooien, openingen, bot-achtige
uitsteeksels...
Het
wit wordt vlekkerig, dan gelig roze.
Het
wordt zacht, golft zachtjes op en neer. Ze kan weer ademen.
Ze
moet wennen aan het gevoel dat terugkeert in haar vierdimensionale oppervlak.
Een omhulsel van zintuiglijke informatie, bewegend en ruimtelijk, omsloten en
vrij.
---
3.
vraag (wachten op betekenis)
---
S.
bevindt zich alleen in het wit.
Het
is zo stil dat ze haar eigen ademhaling kan horen, het zachte kloppen van haar
hart,haar ingewanden die zich
onwillekeurig bewegen.
Eindelijk
rust.
Eindelijk
niets meer om haar heen.
Geen
lichamen of objecten, geen muren die haar omkaderen.
Geen
woorden die wachten op haar woorden.
Er
is hier niets.
Helemaal
niets.
Alleen
het licht, het witte licht.
Ingebed
in het licht, gaat ze zitten en denkt aan niets
voor
een lange,
heel
lange tijd.
Maar
het licht blijft. Het hangt in de ruimte en lijkt langzaam steeds meer plaats
in te nemen. Het licht tast de grenzen van de ruimte aan, maakt het tot een
diffuse eindeloosheid.
Wat
is dit, een droom?
Wat
is dit?
Waar
wacht ze op?
Er
zou iets moeten gebeuren, nu. Iets, op z¼n minst een kleine verschuiving. Zelfs
een subtiele zou voldoende zijn, een gradueel veranderen van de tint van het
wit, in...
in...
Wat
zou
er dan moeten gebeuren?
Wat
zou er voor zorgen dat er iets zou veranderen?
Wie
zou iets kunnen laten plaatsvinden?
De
afwezigheid van handeling wordt onvermijdelijk een vraag voor haar.
Is
er iets dat ze zou moeten doen?
Zou
ze initiatief moeten nemen, iets dat een waterval aan gebeurtenissen zou
genereren?
Zou
ze moeten opstaan en proberen de ruimte te vernielen, de witheid tot rafels
uiteen te scheuren?
Of
zou ze rustig moeten blijven en de gebeurtenissen zich vanzelf laten ontvouwen?
Maar
hoe lang ze ook wacht, er gebeurt niks.
Helemaal
niets.
Natuurlijk.
Hoe zou er ook iets kunnen plaatsvinden, als zij hier de enige handelende
persoon is? Waar zou een initiatief vandaan moeten komen, als zij niet weet wat
er van haar verwacht wordt, of waarom zij hier aanwezig is?
Het
wit
wacht.
Het
lijkt haar te wenken, haar aan te sporen zich te bewegen, deze kant op, of die
kant...
Maar
er is geen verschil. Alleen onverschilligheid.
Ergens
moet er een aanwijzing zijn, een sleutel tot de vraag, maar er is zelfs geen
raadsel dat kan worden opgelost. De sfinx blijft stil.
Er
is hier
helemaal
niets.
Het
wit zet uit, sluit haar in.
Ze
beseft dat zij degene is die het moet weten. Zij moet het antwoord vinden, of
op z¼n minst de vraag formuleren. Maar ze kan nergens beginnen. Er is geen
verlangen dat wacht op realisatie, geen plan dat verzonnen wordt, geen drang
die haar leidt.
Er
is alleen
het
wit.
Het
verblindende, allesomvattende wit.
Na
een eeuwigheid wordt het wit koud. Bijna onmerkbaar trekt het zich terug, weg
van haar. Het licht is er nog wel, maar ze kan de teleurstelling voelen.
Verder
en verder trekt het zich terug. Tot ze alleen is,
achtergelaten
in
de
leegte.
---